Over het boek
Over de auteur
Inhoudsopgave
Tekstfragmenten
Informatie
In de pers
Radiointerview
  TEKSTFRAGMENTEN

Uit het Voorwoord

'Een droom slechts bindt mij aan mijn zijn'
- Fernando Pessoa

....een zakdoekvogel?' vroeg ik ongelovig. 'Ja, zo noemen ze hem,' zei de Javaan naast me. Hij was klein van stuk, gekleed in een kaki-kleurig pak. Een mooi pak. Af was het, zoals de man zelf. Glad het intelligente gezicht, tenger het postuur. Achter zijn brillenglazen zag ik een glimlach. Wij stonden in de Plantentuin van Bogor op Java en keken naar de lucht, hoog tussen de kronen van de oude, zeer oude palmen. 'En wat doet het ertoe,' lachte hij, 'zij kennen hun naam niet.' Vreemd, dacht ik, iets zwarts, iets fladderigs, een zakdoek, een blinddoek? 'Vogels zijn altijd op reis,' zei ik alsof ik luisterde. De man keek me aan, langer dan beleefd voor een Javaan. Sprak hij over iets anders? Over vleermuizen, verzinsels, vruchten, over bomen? Het was winter 1989, natte moesson. Een grijze lucht.

Ik lees de Tuinen van Zen, een vroeg essay van Bert Schierbeek over Zen-boeddhisme. Ter onthechting en kalmering van een onbestemde onrust. Een laatste poging om thuis te blijven, mijn schaduw te bezweren, de reis naar het rijk der fabelen te verwijzen? Of op zoek naar rechtstreekse ervaring, een flits van openbaring, zonder tussenkomst van het verstand - waarvoor overigens geen reis met ongemakken nodig is. Schierbeek schrijft in het essay over de Japanse Sumiye-schilders, hoe dat schilderen in zijn werk gaat.'Geen twee keer kan men eenzelfde lijn trekken op het zelfde papier. Het moet in één keer raak zijn. Verbeteren is onmogelijk. Herbeginnen noodzakelijk. Drie maanden mag het duren om een bamboestengel in zijn essentie te treffen.' Drie maanden ga ik op reis. Een onbekende man van zestig, op reis, in het jaar 5760 der Joden, eind 1999 van de Heer Jezus Christus en 1420 voor de Mohammedanen. En schrijft een verhaal van nieuwsgierigheid en verdwazing met de glimlach van een dromer. Maakt een reis om het illusoire, de weerschijn van de wereld. Het hallucinerende en nogmaals het hallucinerende. De kortstondige óplichting van de dingen rondom, hun tastbare onaanraakbaarheid. Op reis, trekt hij een spoor dat zich in de verte wist zoals elk spoor. De einder verschuift en het landschap verandert, de regenboog spant zich over land en water - niet meer dan een oogwenk - en het is voorbij. Om met Zen te spreken het is tijd 'de koeien te gaan hoeden.'


Op Bali

Voor het eerst reizen we per busje - bemo, waarin een onbeperkt aantal passagiers lijkt te worden vervoerd. Rekbaar is de ruimte, kneedbaar zijn de passagiers van vlees, de rijstzakken persbaar. Elke plek heeft een onbegrensd opnemingsvermogen, is een zuigende mensenspons. Ik zit het liefst bij de deuropening. Dat blijkt een draaikolk van passagiers, manden, tassen, kippen en stinkvruchten,doerian. Ik heb letterlijk contact met de mensen. Ze zitten onder mijn knieën, op de busvloer. Ze schuiven links en rechts mijn dijbeen binnen. Ze kruipen of wringen zich op mijn knieën en bovenbenen, tegen mijn borst aan. Hangen in mijn rug, over mijn schouder. Ik groei uit tot een verschrikkelijke ranonkel. Een vrouw voelt aan mijn neus. Of het een echte neus is en waarvan zo'n úitstekende neus wel gemaakt kan zijn. Men lacht, men giert, men grinnikt verlegen. Het Engels dat we spreken begint op geweerschoten te lijken, kort en luid. Gevolgd door een stilte. Een oude vrouw gebaart vinnig dat ik de deuropening moet vrijlaten. Als de bemo eenmaal rijdt, spuwt ze haar tabakspruim de zoevende opening door. We zitten zo dicht bijeen, dat de glimlach overspringt op mijn gezicht.

Op Lombok

Verder de bergen in ligt aan het eind van de slingerweg het nog traditionele Sasak-dorpje Senaru. We wandelen erheen in de vroege ochtend. Het is koel en overal in de tuinen staan kleurige bloemen,fris en geurend van levenskracht. In de dorpjes onderweg laat niemand zich zien. Er is niemand? Men werkt op het land dáár, achter de bomen, in de sawa. De Unesco heeft aan het laatste dorpje, waar de weg ophoudt bij de omheining rond de huizen, een waterleiding en riool cadeau gedaan. Vroeger haalden de vrouwen het water hoog uit de bergen. Nu blijven ze in het dorp, stroomt het water naar de vrouwen. In ruil onderhouden de mensen het dorp in traditionele stijl. Het is omheind met een hek van hoge bamboepalen en tot cultural heritage bestempeld. Bij de ingang hangt een bord van de grote schenker. Een dorpsgids leidt ons rond. Hij wordt pas spraakzaam als we een donatie in de bus hebben gestopt, duidelijk zichtbaar voor alle nieuwsgierige omstanders, oud en jong. We schrijven onze namen in het boek, een ritueel dat men graag ziet. Oude mannetjes zonder gebit, zogende moeders en kleine kinderen, ze kijken toe.
Onbezoldigde inspecteurs van de Unesco, die nu als wachters van het verleden de tijd met niets-doen verdrijven. De huizen vormen straten en blokken, zijn gebouwd volgens een ongeschreven plan. De gids geeft ons een kijkje in een huis op palen met wanden van gevlochten matten. Binnen is een afzonderlijke ruimte voor heilige handelingen en gebed, de grootfamilie bewoont de restruimte. Er zijn ook bouwsels waarin de rijst wordt bewaard en tegen ongedierte van alle kanten zijn afgesloten. Hermetisch dichte rijstschuren als niet de ratten zo inventief waren. Zij knagen zich een weg door het leven, zoals overal. Zij delen met de mensen ongevraagd de rijstopbrengst. Bamboe wordt gebruikt voor de afvoer van regenwater vanaf het dak. De paden tussen de houten huizen zijn van zand en in de regentijd van modder. Zo woont men hier al honderden jaren, tussen zijn rijst en zijn kippen, zonder waterleiding en riool. Wat bezielt ons mensen in hun oude bestaanswijze op te sluiten? Als in een dierentuin, of is het een gevangenis met vrij entree? Ik vertel de gids dat ik op school al leerde van de Sasak-cultuur en droomde daar ooit heen te gaan. Hij kijkt me aan en ik denk 'waarvan droomde hij toen hij een kleine jongen was?' Dat hier ooit mensen zouden komen uit verre landen om naar hem te luisteren? Hij wil ons nog naar binnen nemen, waar veel mensen bij elkaar zitten om koffie te drinken en gebak te eten. We zeggen verder te gaan, terwijl we om ons heen kijken naar al die mannen met oogaandoeningen en hun lotgenoten, de halfblinden en de blinden.

Op Sulawesi

Niet ver van Rantepao ligt Lemo. De bus stopt er beneden aan de weg. We lopen de weg omhoog. Het is vroege ochtend. Daar rijst een rotswand steil boven de sawa's, nog in de schaduw van zichzelf. Boven elkaar in nissen met houten balustrades ook hier het theater der onbeweeglijke doden-poppen, de tau-tau. Gemengde gezelschappen van stilte en strengheid. Elk jaar herkleed in het lievelingsgewaad van de overledenen. Vaak in het wit, kleur van de rouw of het onvergankelijke. Maar onweerstaanbaar, elk jaar vreten de tropen aan de tau-tau, vreten zich een weg door hun kleed, vreten het weefsel aan flarden. Het vocht van de tropische lucht dringt door tot op het bot van de doden. Verderop hangen ze, de doden of wat van hun rest, losjes met bleke botten half uit doodkisten, die om de bocht hoog aan de rotswand zijn bevestigd. De beenderen doen minder ter zake dan de tau-tau, maken eerder een verwaarloosde indruk. Ik voel geen aandrang met een toorts in een begraaf-nis te kijken. De geur van vocht en bederf is voldoende macaber.

Beneden liggen de rijstvelden, zilverende vlekken, kunstig overspannen in een netwerk van draden, waaraan blikkerend blik tegen de glatik, de rijstvogeltjes. Een warrige wiskunde, willekeurige constructie, een vondst die de vogeltjes wil verwarren. Één ruk aan de draad en de vogels vliegen op. Even later zitten ze weer tussen de tere rijstplantjes. Zoals vergeefs een vlieger wordt opgelaten, dag in dag uit, elk uur, onophoudelijk een spel wordt gespeeld met de god van de wind. Maar er is geen wind hier beneden de rotsklif, alleen de hemel en wolken spiegelend in het water tussen de dijkjes. Een vrouw want de rijstkorrels. Soms trekt ze aan de draad. Admiraal-varende eenden duiken als op een onzichtbaar teken gelijktijdig onder water, verdwijnen en komen kopschuddend boven. Tussen de vette veren parelende waterdruppels. Ze vegen de veldjes met jonge rijstaanplant schoon, varen een baantje water donker open en dicht. Horen het getingel noch laten ze zich verstoren door de ijverige rijstdiefjes. Ze doen hun werk en hebben een goed eendenleven. In een houten schuur op een dijkje tussen de sawa's hebben twee jongemannen een schuur van gevlochten bamboe, hun toko. Ze snijden beeldjes uit hardhout. Voor de prijs van een pakje kretek verkopen ze me een beeldje. Een mannetje in hurkzit met ingetogen, droevige blik. 'Het mijmert over zijn land, over het lot van zijn land,' zegt de maker. En hij denkt aan de heerlijke kretek.

In Thailand

(Ayuthaya)

Het waait hard en we fietsen gebogen tegen de wind in. Bij de ingang van een tempelcomplex zetten we onze fietsen tegen de muur op slot.Ik kijk nog eens en zie een abstract kunstwerk. De fiets in de Aziatische stad. Voortbewegende mensen. Pleinen vol fietsende mensen. Voortrollend, voortdraaiend, pedalend. Mens op de fiets, een bewegend insect. We wandelen door het ruïnepark en beklimmen de torens en tempels, die zich laten bestijgen, betreden. In het gras liggen de harkvrouwen met hoofddoek kleurig bijeen. Tempels worden ruïnes, vrouwen herbergen het eeuwige leven. Ineens is er de ervaring van historie. Van wat voorbij is, maar toch aanwezig. Van het vergeefse om in steen zich te verzetten tegen de tijd. Zich tempels te bouwen van steen alsof ze bestand zullen zijn tegen verval. Torens op te richten ten teken van heerschappij. Of wisten de bouwers toen al hoe mooi de ruïnes zouden ogen? Hielden ze van steen dat verweert zoals wij doen, die hier nu rondfietsen. Van steen die verpulvert tot aardewerk en verkleurt tot het bruin van de bodem. Steen dat overgroeid wordt door gras, waar gras ongehinderd voortwoekert over de voet van de torens, van de tempels, van de opgaande treden. Waar een boom het hoofd van een Boeddha-beeld met wortels omarmt. En waar torens van ouderdom beginnen te verzakken, scheef hangen of in het gras verkruimelen. Dit is een stad die ver-aardt en vergrast. Hier ontbindt zich de historie in pulver en stof. Het DNA leeft voort, de vrouwen in het gras zijn er het bewijs van. Lijvig en met hark laten ze zich de wereld niet uitvegen. Zonder vrouwen is de stad niets dan een verleden. Nu leeft de stad in steen en in gras, leeft en beweegt in de wind. Dankzij de vrouwen. Als we terug fietsen, stap ik nog eenmaal af en koop een minuscuul klein, zilverkleurig Boeddha-beeldje.
© Derk Cools